|
|
|
|
| SCHWARZENEGGER-GEN GEEFT KOE
EEN ZWAAR LEVEN
Deze zomer is het gen ontdekt dat bepaalt of een Belgische blauwe uitgroeit tot een
gewone koe of een dikbil. Die laatste levert superieur vlees. Toch voelen varkensfokkers
er weinig voor om het betrokken gen bij hun dieren te introduceren. De oorzaak van de abnormale spiergroei
bij de Belgische dikbil is pas deze zomer ontdekt. In het septembernummer van het
tijdschrift Nature Genetics beschrijven onderzoekers van de universiteit van Luik het
myostatine-gen. Een mutatie die dit gen uitschakelt, geeft de spiergroei vrij baan. Het
niet-gemuteerde gen maakt namelijk een eiwit, myostatine, dat het aantal spiervezels
binnen bepaalde grenzen houdt. Het effect van een niet functionerend myostatine-gen is in mei dit jaar voor het eerst
aangetoond in muizen. Onderzoekers van Johns Hopkins universiteit in Baltimore in de VS
kweekten muizen die geen myostatine aanmaakten. Ze zagen de beesten uitgroeien tot ware
spierballen. De piepende krachtpatsers waren twee tot drie keer zo groot als hun
soortgenoten die het eiwit wel produceerden. Nadat de Amerikanen hun experiment publiceerden, begon een onderzoeksrace. Wie zou als
eerste het myostatine-gen in runderen lokaliseren? De Luikse onderzoekers kwamen op het
idee, het erfelijk materiaal van de mens te gebruiken als hulpmiddel in de zoektocht naar
het rundergen. Over het menselijk DNA is veel bekend. De Luikenaren gokten dat het DNA van
rund en mens in de regio van het gezochte gen sterke gelijkenis vertoonde. Een goede gok:
het myostatine-gen van mens en koe bleek op hetzelfde chromosoom te liggen, op dezelfde
plaats. Hoewel het gen nog maar net is ontdekt, maken boeren er al jaren dankbaar gebruik van.
De eerste melding van een dikbilkoe stamt al uit 1807. De Belgische fokkers hebben sinds
de jaren vijftig geselecteerd op de gemuteerde, inactieve variant (ook wel aangeduid als
het Schwarzenegger-gen). Koeien met de mutatie hebben niet alleen veel vlees, het is ook
nog van goede kwaliteit. De witte biefstukken vallen van malsheid uit elkaar en bevatten
nauwelijks vet, in tegenstelling tot het vlees van andere welbespierde runderrassen. Maar
die danken hun spiermassa ook niet aan een groter aantal spiervezels, maar aan dikkere
vezels, waardoor hun vlees taaier is. Omdat de fokkers zo eenzijdig hebben geselecteerd - zoals het stamboek zelf aangeeft,
heeft 'een spiermusculatuur van hoge kwaliteit prioriteit' - zijn een aantal ongunstige
neveneffecten opgetreden. Door het overmatige gewicht hebben sommige dikbilkoeien moeite
op hun poten te blijven staan. En voor het ter wereld brengen van een dikbilkalf is
meestal een keizersnee nodig. Want het bekken van de moederkoe is te smal en de schouders
van het kalf te breed. P. Hannewijk van het Belgisch Witblauw Rundveestamboek Nederland in Goes hoopt dat er
met de ontdekking van het myostatine-gen snel een middel wordt gevonden dat de extra
spiergroei uitstelt tot na de geboorte, zodat de keizersnee tot het verleden gaat behoren.
Hannewijk maakt zich zorgen om de concessies die de fokkers indertijd hebben gedaan aan
het welzijn van de dieren: 'Het beestje moet zich lekker voelen.' De Belgen zijn
laconieker volgens de Nederlander. 'Daar zijn ze blij als het beestje zijn jaren kan
uitzingen.' Hij vreest dat de publiciteit over de moeizame geboortes van de dikbilkalveren
de gunstige marktpositie van het ras zal aantasten. De Belgische blauwe is het enige
vleesrund in Nederland dat in aantal dieren gelijk blijft: de rest gaat achteruit. Het houden van vleesvee is in Nederland op z'n retour. Vanwege de ongunstige
neveneffecten van de ongeremde spiergroei is de mutatie niet in iedere Belgische blauwe
gewenst. Onderzoeker L. Grobet van de Luikse universiteit ziet het opsporen van de mutatie
om ongewenste verspreiding tegen te gaan als een van de belangrijkste toepassingen van
zijn onderzoek. Boeren die Belgische blauwen als melkvee houden, zitten namelijk niet te
wachten op de dikke spieren. De mutatie kan plotseling opduiken in hun vee. Een kruising
van een normale stier en een koe die beide drager zijn van het gemuteerde gen, kan een
dikbilnakomeling opleveren. Melkveehouders zoeken daarom naar een mogelijkheid om dragers van het gemuteerde gen op
te sporen. Met de lokalisatie van de mutatie is die mogelijkheid er. Een DNA-screening kan
volgens Grobet binnen vier uur aantonen of een koe of stier drager is of niet. De ontdekking van het myostatine-gen heeft niet alleen invloed op de rundveehouderij.
Omdat de Amerikaanse onderzoekers het myostatine-gen ook aantroffen in kippen, kalkoenen
en varkens, speculeert een biotechnologisch bedrijf uit de staat Wisconsin volgens het
tijdschrift Science van 26 september als over de mogelijkheden van allerhande supervee.
Door introductie van de mutatie in andere soorten zouden volgens moleculair-bioloog M.
Bishop van dit bedrijf ook pluimvee en varkens meer vlees op de botten kunnen krijgen. Voor varkens is een hoog geboortegewicht juist gunstig, beweert M. te Pas, werkzaam bij
het Instituut voor Veehouderij en Diergezondheid in Lelystad. Zware biggetjes hebben meer
kans te overleven. Varkensfokkers selecteren op een hoog geboortegewicht en een snelle
groei. maar de mutatie met behulp van biotechnologie inbrengen in het varken, gaat de
varkensfokkers te ver. J. Merks van het Instituut voor Pig Genetics in Beuningen is wel geïnteresseerd in de
onderzoeksresultaten. Maar alleen als er al varkens rondlopen met een gemuteerd
myostatine-gen wil zijn bedrijf fokken met extra-gespierde varkens. Volgens H. Heuven van
Dalland, één van de toonaangevende varkensfokkerijen in Nederland, heeft het imago van
vlees een flinke deuk gekregen na het BSE-schandaal en de varkenspest. De consument wil
geen gemodificeerde genen, zegt Heuven. 'Kijk maar naar de soja-boon.' Marten Mulder Overgenomen uit De Volkskrant d.d. 18
oktober 1997 |