Bio begrippenlijst

Afstoting
De reactie van het afweersysteem (ofwel immuunsysteem) van een dier of mens tegen een getransplanteerd orgaan, weefsel of groep cellen. Het afweersysteem ontwikkelt verschillende reacties tegen het vreemde bestanddeel. Het hangt er bijvoorbeeld vanaf of er een orgaan, weefsel of cellen zijn getransplanteerd. Ook is de afstotingsreactie sterker naarmate de weefselkenmerken (zie begrip) van donor en ontvanger meer van elkaar verschillen. Bij xenotransplantatie zijn bovendien ook andere mechanismen van afstoting werkzaam. Over de afstoting van een varkensorgaan (of weefsel of cellen) door de mens is weinig bekend, maar door proeven met o.a. apen zijn er aanwijzingen voor verkregen.

Afstotingsremmer
Medicijnen die de reactie van het afweersysteem tegen het getransplanteerde orgaan, weefsel of de groep cellen verminderen. Er zijn verschillende soorten, bijvoorbeeld corticosteroiden, cyclosporine A, of azathioprine. De patiënt moet de middelen zijn verdere leven gebruiken. Bijwerkingen zijn onder andere een slechte afweer tegen infectieziekten en mogelijke aantasting van organen, zoals de nier. Wetenschappelijk onderzoek is er op gericht om middelen te vinden die nog gerichter werken en minder bijwerkingen hebben. Ook wordt naar andere manieren gezocht om te voorkomen dat het transplantaat wordt afgestoten, bijvoorbeeld door te proberen het lichaam tolerant te maken voor het nieuwe bestanddeel.

Allotransplantatie
Transplantatie van een menselijke donor naar een menselijke ontvanger.

Alvleesklier
Een orgaan dat uiteenlopende spijsverteringsenzymen produceert, bijvoorbeeld om vet en eiwitten te splitsen. Bepaalde groepjes cellen (‘eilandjes van Langerhans’) in de alvleesklier maken insuline.

Beenmerg
Hier wordt het rode beenmerg bedoeld, dat in de holte van bepaalde botten zit en waar nieuwe bloedcellen worden aangemaakt (onder andere witte bloedlichaampjes, die zijn betrokken bij de afweer). Er wordt onderzocht of beenmergcellen van varkens eventueel gebruikt zouden kunnen worden om een patiënt tolerant te maken voor een te transplanteren varkensorgaan, -weefsel, of groep cellen.

Brondier
Het dier waaruit organen, weefsels of cellen worden genomen om te transplanteren naar een ander dier of een mens (xenotransplantatie). De term ‘donordier’ wordt vermeden, omdat deze suggereert dat het dier er zelf voor kiest om een lichaamsdeel af te staan voor transplantatie.

Celkerntransplantatie
Het overbrengen van een celkern van een somatische cel (= lichaamscel) naar een eicel waarvan de celkern verwijderd is.

Cellijn
De cel is de kleinste eenheid van het leven, die in staat is op zichzelf allerlei essentiële levensfuncties uit te oefenen. Het lichaam is opgebouwd uit cellen. Cellen kunnen ook buiten een lichaam in het laboratorium gekweekt worden. Een kweek die bestaat uit één type cellen is een cellijn.

Celtherapie
Een nog grotendeels experimentele behandeling van een aandoening met cellen die in het laboratorium zijn gekweekt (zie ook stamcelonderzoek). Beschadigde organen of weefsels zouden met celtherapie hersteld kunnen worden door er gezonde cellen in te spuiten. Zo zou een hart dat is verzakt door een infarct, nieuwe hartspiercelen toegediend kunnen krijgen.

Chromosoom
Een structuur die bestaat uit een streng DNA, het erfelijke materiaal. In iedere cel zitten twee kopieën van ieder chromosoom. Menselijke cellen hebben 23 paren chromosomen.

DNA
De chemische verbinding die de code bevat voor alle eigenschappen (structuren en functies) van een organisme.

Dopamine
Een signaalstof in de hersenen. Zie ook ziekte van Parkinson.

Eilandjes van Langerhans
Groepjes cellen in de alvleesklier (een orgaan dat bij de spijsvertering is betrokken), die insuline produceren.

Embryonale stamcellen
De cellen in een embryo (de kiem die zich ontwikkelt tot een mens of dier) waarvan alle verschillende soorten cellen in een lichaam afstammen.

Embryosplitsing
Techniek waarbij een embryo in een heel vroeg stadium wordt gesplitst om identieke meerlingen te maken.

Endogene retrovirussen
Een virus is een deeltje dat bestaat uit erfelijk materiaal met een eiwitmantel eromheen, en cellen infecteert. Endogene retrovirussen zijn een virussoort waarvan het erfelijk materiaal in dat van de cellen gaat zitten. Ze zitten ook in de geslachtscellen (zaad-, eicellen) en worden daardoor van ouder op kind doorgegeven. In het algemeen veroorzaken ze geen ziekte, maar wanneer omstandigheden veranderen kunnen de virussen ‘actief’ worden en nieuwe cellen infecteren, met eventueel ziekte tot gevolg. Men vreest dat xenotransplantatie ook een verandering van omstandigheden is die tot nieuwe virusinfecties zou kunnen leiden.

Ethische vragen
Vragen die gaan over een norm. Bijvoorbeeld: ´Is het juist om dieren leed aan te doen terwille van mensen?´

Foetus (foetaal)
Een ongeboren menselijke of dierlijke vrucht.

Gen
Een deel van het erfelijk dat de code bevat voor een eiwit, een bepaalde eigenschap van het organisme.

Genetische modificatie
Het kunstmatig veranderen van het erfelijk materiaal van een organisme, bijvoorbeeld een dier. Dit kan onder meer worden gedaan door een nieuw gen (stukje erfelijk materiaal) in een bevruchte eicel te spuiten. Het genetisch gemodificeerde organisme heeft dan een nieuwe eigenschap gekregen.

Gentherapie
Behandeling van een erfelijke aandoening door bepaalde cellen van een patiënt genetisch te modificeren. Hiermee wordt het defecte, ziekmakende gen vervangen door een goede kopie van het gen.

Hartdood
Hartdood wil zeggen dat de overledene een niet meer te behandelen hartstilstand heeft. Een hartdode donor wordt ook wel een ‘non-heart beating’ donor genoemd.

Hartklep
Kleppen in het hart die bij het sluiten het bloed belemmeren om van de kamers naar de boezems (compartimenten in het hart) te stromen. Hartkleppen kunnen afkomstig zijn van een overleden menselijke donor, van een varken, een rund, of ze worden gemaakt van kunststof. Hartkleppen voor transplantatie zijn helemaal ontdaan van levend materiaal.

Hersendood
Iemand overlijdt aan hersendood wanneer de aanvoer van zuurstofrijk bloed een aantal minuten is gestopt, bijvoorbeeld door hersenletsel als gevolg van een ongeval, of een tumor. Bij hersendood zijn al de functies van de hersenen, de hersenstam en de verlengde merg uitgevallen. Hersendood is onomkeerbaar. Zelfs wanneer kunstmatig de hartslag en de bloedcirculatie in stand gehouden worden, kan het zuurstofrijke bloed niet de hersenen bereiken. Hersendood wordt volgens gedetailleerde criteria vastgesteld.

Insuline
Hormoon dat de hoeveelheid suiker (glucose) in het bloed controleert door een teveel aan suiker door voornamelijk de lever en de spieren te laten opslaan.

Intrinsieke waarde
In deze context heeft intrinsieke waarde betrekking op dieren. Dat wil zeggen dat zij een waarde op zichzelf hebben, los van de waarde die zij eventueel voor mensen kunnen hebben. Vanwege hun intrinsieke waarde moeten dieren beschermd worden.

Klinisch
De reguliere toepassing in het ziekenhuis van een behandeling bij mensen. Dit volgt op wetenschappelijk klinisch onderzoek waarbij een nieuwe behandeling onderzocht wordt bij proefpersonen.

Kloneren
Het maken van een ‘kopie’ van een organisme, dat wil zeggen een organisme met dezelfde erfelijke eigenschappen. Er zijn verschillende technieken om een kloon (een kopie) te maken, bijvoorbeeld het stekken van een plant. Of het transplanteren van de kern met het erfelijk materiaal uit een lichaamscel van een dier waarvan een kloon gewenst is, naar een eicel (=’celkerntransplantatie’). Uit de eicel is dan vooraf de eigen kern verwijderd. Wanneer de eicel met de nieuwe kern vervolgens tot ontwikkeling komt, ontstaat een nieuw individu met dezelfde erfelijke eigenschappen als het dier waarvan de lichaamscel afkomstig was: een kloon.

Kunstlever
Een dialyse-apparaat om ernstig zieke leverpatiënten de behandelen. Het bloed van de patiënt wordt door de kunstlever geleid, die naast het bed staat. De kunstlever wordt vaak in relatie tot xenotransplantatie genoemd, omdat er een nieuwe kunstlever in ontwikkeling is die varkenslevercellen bevat. Dit om de functie van de zieke lever nog beter over te kunnen nemen. Met de kunstlever zal het leven van de patiënt korte tijd verlengd kunnen worden, waarna de patiënt eventueel alsnog getransplanteerd kan worden.

Kunstorgaan
Een apparaat dat buiten of binnen het lichaam van de patiënt de functie van een ziek orgaan (deels) kan overnemen. Voorbeelden zijn het nierdialyseapparaat en het kunsthart (werkt in het lichaam).

Lichaamseigen
Een onderdeel van het lichaam van de patiënt zelf.

Natuurlijke antilichamen
Een paar keer per week wordt in het ziekenhuis het bloed van de nierpatiënt door een apparaat gefilterd waarin het wordt gezuiverd van afvalstoffen en een teveel aan zouten, een functie die de nier niet meer zelf kan uitvoeren.

Neurale stamcel
Stamcel die in staat is de verschillende celtypen van het zenuwstelsel te vormen.

Norm
Een gedragsregel waarvan wordt gevonden dat iedereen zich eraan zou moeten houden. Bijvoorbeeld: ‘Er moet alles aan gedaan worden om zieke mensen uit hun lijden te verlossen.’

Pluripotent
Vermogen van cellen zich te ontwikkelen tot celtypen van alle kiembladen (endoderm, ectoderm, mesoderm)

Pre-implantatie embryo
Het llervroegste zichnog vrij bewegende embryo: vanaf het moment van bevruchting van de eicel tot aan de innesteling in de baarmoeder.

Pre-klinisch
Heeft betrekking op onderzoek dat voorafgaat aan de toepassing van een behandeling bij mensen.

Reproductief kloneren
Kloneren met de bedoeling een of meer nakomelingen te verkrijgen die identiek zijn aan een reeds bestaand individu.

SPF
Onderzoek naar de omstandigheden waaronder stamcellen zich in uiteenlopende celtypen kunnen ontwikkelen, of zich vermenigvuldigen. Het onderzoek gebeurt in het laboratorium met cellen in een kweekschaal waarin ze zijn omgeven door een vloeistof die noodzakelijke voedingsstoffen en groeifactoren bevat. De stamcellen zijn afkomstig van een embryo, of een volwassen dier of mens. In de toekomst hoopt men stamcellen in het laboratorium te kunnen laten ontwikkelen tot bepaalde celtypen, die kunnen worden ingezet voor transplantatie. Zo zouden beschadigde organen of weefsels weer hersteld kunnen worden.

Telomerase
Enzym dat betrokken is bij de synthese van het DNA aan de uiteinden van de chromosomen (de telomeren), waardoor het vermogen van de cel zich ongelimiteerd te delen gehandhaafd blijft.

Therapeutisch kloneren
Kloneren met de bedoeling embryonale stamcellen te verkrijgen die gebruikt kunnen worden voor de behandeling van een patient.

Tissue engineering
Een techniek waarbij vervangingsonderdelen voor ziek weefsel worden gemaakt door cellen van de patiënt zelf, of van een donor, over een kunststoffen structuur te laten groeien. Voorbeelden zijn: huid (wordt al toegepast), kraakbeen en bot (worden proeven bij mensen mee gedaan). Later ook andere weefseltypen mogelijk.

Tolerantie
De ontvanger van een getransplanteerd orgaan, weefsel of groep cellen van een donor is tolerant, wanneer zijn afweersysteem niet reageert op het getransplanteerde bestanddeel. Er wordt onderzocht of dit principe kan worden toegepast voor xenotransplantatie. In dat geval zou de patiënt voorafgaande aan de operatie met varkenscellen moeten worden ingespoten.

Transgeen
Een organisme is transgeen, wanneer het een transgen bevat, een gen (erfelijk materiaal) van een andere soort.

Unipotent
Vermogen van een cel zich te ontwikkelen in een specifieke richting met vaststaand eindresultaat ( tegenovergestelde van pluripotent)

Verbod op xenotransplantatie
Ondanks de wettelijke controle op de toepassing van xenotransplantatie, wil de Tweede Kamer toch ook zelf controle uitoefenen. Vooral vanwege het risico op de verspreiding van nieuwe infectieziekten. In voorjaar 2000 nam de Tweede Kamer twee moties aan om xenotransplantatie bij mensen voor twee jaar te verbieden. De moties maken een uitzondering voor bestaande plannen voor onderzoek met de kunstlever en onderzoek bij dieren. Het verbod wordt van kracht, wanneer de Raad van State, het parlement en de ministerraad het voorstel voor de wettelijke aanpassing (een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) bij de Wet op bijzondere medische verrichtingen) hiervoor goedkeuren. Waarschijnlijk is dat in winter 2000-2001. Na twee jaar moet de Tweede Kamer dan beslissen of het verbod definitief wordt, of dat het kan worden opgeheven. Ook wil de Kamer in de komende periode een maatschappelijke discussie over xenotransplantatie.

Weefselkenmerken
Ieder individu heeft op het oppervlak van zijn cellen bepaalde kenmerken (eiwitten) die erfelijk bepaald zijn en uniek zijn. Bij transplantatie richt het afweersysteem van de ontvanger zich hiertegen. Hoe beter de weefselkenmerken van donor en ontvanger overeenkomen, hoe minder het lichaam van de ontvanger een orgaan of weefsel van de donor afstoot.

Xenotransplantatie
Transplantatie van organen, weefsels of cellen van de ene diersoort naar de andere, inclusief de mens.

Ziekte van Creuzfeldt-Jakob
Een ziekte van het centrale zenuwstelsel, die zich onder andere uit in dementie-achtige verschijnselen. De ziekte is fataal

Ziekte van Parkinson
Door verlies (degeneratie) van hersencellen die de signaalstof dopamine maken, hebben patiënten met deze ziekte moeite met bewegingen (stijfheid, trillen).

Zygoot
Cel die ontstaan is door de versmelting van een zaadcel en een eicel